We zitten met onze club nu als meer dan twintig jaar in de kelders van Sint-Pietersabdij en hopelijk kunnen we er nog lang blijven, want waar is het beter, chiquer of rustiger toeven om onze hobby te beoefenen.

Dat we kunnen bridgen en biljarten op een plaats die historisch een heel belangrijke rol gespeeld heeft in de Gentse geschiedenis weten we allemaal wel, maar hoe het hier rondom onze club allemaal is totstandgekomen kunnen we enkel vermoeden.

Er bestaat heel wat lectuur over de Sint-Pietersabdij, over haar opgang en verdwijning, over de verwervingen en de plunderingen, over de ruzies met Sint-Baafs enz.

En omdat we zo dikwijls toch verblijven in deze ruimtes is het idee gegroeid om, gespreid over een reeks artikelen, een overzicht van de geschiedenis van ‘onze’ abdij weer te geven.

Ik heb gepoogd om - per eeuw - een inzicht te geven in de drijfveren die geleid hebben tot de belangrijkste gebeurtenissen op de Blandijnheuvel.

Naast de gewone opzoekingen in boeken, gidsen en naslagwerken heb ik ook een grote bron aan informatie gevonden in de rondleidingen en tentoonstellingen als gevolg van de recente opgravingen op het Sint-Pïetersplein.

Uiteraard zal mijn zoektocht door de eeuwen heen eindigen bij de kelders waar wij nu onze club hebben.

Wat voorafging

De geschiedenis van de Sint-Pietersabdij kent slechts zijn vroegste begin in de 7de eeuw toen Amandus in onze contreien minstens één klooster en één kerk heeft opgericht.

De ontwikkeling van Gent heeft in hoge mate mee bepaald dat de abdijen hier werden opgericht. Gent of Ganda zoals het vroeger genoemd werd betekent in het Keltisch ‘monding’. De oorspronkelijke nederzetting lag ten oosten van de samenvloeiing tussen Leie en Schelde. Daar werd - ook in de 7de eeuw - de St-Baafsabdij opgericht die zelf ook Ganda genoemd werd. Hier bevond zich in de Romeinse (tot 476) en later in de Frankische tijd de grootste bevolkingsconcentratie van Gent. Voor ons zijn het de plaatsen Sint-Macharius, Sint-Baafsabdij (ruine) en de Oude Beestenmarkt.

De samenvloeiing van Leie en Schelde wordt voornamelijk bepaald door enkele zanderige heuvels waarlangs beide rivieren lopen. De grootste top, de Blandijnberg, is zo’n kleine 30 meter hoog en bevindt zich op de plaats waar de beide rivieren het dichtst bij elkaar zijn net voor hun samenvloeiing. De Schelde loopt vlak langs Union-Sandeman en de Leie komt Gent binnen evenwijdig met de Kortrijksepoortstraat en de Nederkouter.

De benaming Blandijnberg komt van het Latijn Blandinium; een naam die de Sint-Pietersabdij lange tijd zou dragen. Men kan er van uitgaan dat hier in de Romeinse tijd een gebouwencomplex (villa) heeft gestaan toebehorende aan een zekere Blandius. De bedrijvigheid zal allicht agrarisch geweest zijn.

Voor de Blandijnberg op het ogenblik van het ontstaan van de abij in de 7de eeuw konden we stellen dat het gebied een landelijk domein was toebehorende aan de Merovingische koning, terwijl Ganda (het eigenlijke Gent) een nederzetting vormde. Dat beide, samen met het Gravensteen later de drie stadskernen van Gent zouden vormen, daarvan was zeker op dit ogenblik nog geen sprake.

Om een inzicht te krijgen in de achtergronden bij het ontstaan van de Sint-Pietersabdij is een kort historisch overzicht nuttig.

Men kan zich onmogelijk voor onze streken op een datum vastpinnen voor de val van het Romeinse Rijk. Het klopt dat 476 als eindpunt van het Westromeinse Rijk wordt beschouwd omdat toen de laatste Romeinse keizer afgezet werd, maar reeds in de 4de eeuw stroomden de Germanen, opgejaagd door de Hunnen het Romeinse Rijk binnen. In 410 werd Rome reeds belegerd door de West Goten enz.

Wat ook de vele oorzaken van de ineenstorting van het Westromeinse rijk mogen geweest zijn, feit is zeker dat de machthebbers (keizers, bisschoppen, aanvoerders) als gevolg van hun zwakheid en vooral door hun verdeeldheid de barbaren hun gang hebben laten gaan. Het politieke gezag van het rijk verdween volledig en de Romeinse beschaving in onze streken leefde voornamelijk in het denken en in de vroomheid van de Kerk sluimerend voort.

Vele bevolkingsgroepen van de Germanen vestigden zich binnen het Romeinse rijk en geleidelijk kwam er een vermenging van de culturen tot stand.

De Romeinen werden in onze streken in de 5de eeuw opgevolgd door de Franken die na de verovering van Gallië het Frankische Rijk stichten onder Clovis. Het afstammelingen van dit Frankisch koningshuis werden Merovingers genoemd.

Dat Clovis zich liet bekeren tot het Christendom had een enorme invloed. Er kwam een grote heiligenverering door de Frankische vorsten en de koning stond dicht bij God. Dit heeft ongetwijfeld ook grote navolging gekend bij de gewone Franken en de heiligenverering was een enorm succes. In de 6de eeuw was Sint-Maarten van Tours de grote heilige, want hij had meest wonderen verricht door blinden te laten zien, doven te laten horen en lammen te laten lopen. De jacht op relikwieën was vaak zeer succesvol.

Maar niet alle christenen vonden het voldoende wanneer de vorsten de rechten van de heiligen respecteerden. Met name de Iers-Schotse monniken stootten zich aan de zeden van het koningshuis, die met de geboden van het christendom zo slecht te verenigen waren. Sinds het einde van de zesde eeuw trokken zij als pelgrims door het Frankische gebied. Onder leiding van hun abt Columbanus hadden een zij een zeer strenge kloosterregel waarbij het minste vergrijp met slagen gestraft werd. Tegelijk met de boeteregels kwam ook de oorbiecht in zwang.

Deze monniken, die ook de Angelsaksen voor het christendom konden winnen, kenden een grote verering voor Petrus; niet zozeer voor zijn wonderen, want Maarten van Tours had er veel meer gedaan, maar door het feit dat Jezus hem de sleutels des hemels had beloofd. Vandaar dat zijn macht vooral diegenen ontzag en vrees inboezemden die zich zorgen maakten over wat er na de dood met hen zou gebeuren.

Het is in de traditie van het Ierse monnikenwezen dat er talrijke zendelingen – zo ook Amandus – actief waren in onze nog eerder ‘heidense’ gebieden. Essentieel was de stichting van abdijen omdat van daaruit de evangelisering van de omliggende gebieden kon gebeuren. In het Merovingische rijk zouden in de 7de eeuw maar liefst meer dan 300 kloosterstichtingen gebeuren.

Men mag zich voor deze periode niet laten misleiden: er waren vaak zeer nauwe contacten tussen de verschillende vorsten(huizen) en Rome waar de paus – de opvolger van Petrus - het allerhoogste gezag vertegenwoordigde. Het was ook Rome dat de zendelingen steunde, ook al weken zij in het begin op belangrijke punten van Rome af.

In het vorige boekje vond je een ruwe situatieschets over de periode waarin de stichting van abdijen – in casu de Sint-Pietersabdij – zich afspeelde. Daarin was duidelijk dat de monniken, gesteund door de Katholieke Kerk een hoofdrol speelden.

We gaan nu eeuw na eeuw verder met en kort overzicht van de voor onze abdij belangrijkste gebeurtenissen.

VIIe EEUW

De periode van 625 tot 725 wordt ook de eeuw van de heiligen genoemd. De talrijke kloosterstichtingen waren hoofdzakelijk te danken aan de zendelingen die over het ganse Gallo-Romeinse gebied uitzwermden.

In onze streken kennen we voornamelijk Bavo, Amandus, Willibrordus, Hubertus.

Over de stichting van zowel Sint-Pieters als Sint-Baafs bestaan heel wat hypothesen, maar feit is dat Amandus in Gent in de periode tussen 629 en 639 minstens één kerk en één klooster heeft opgericht.

Over de ontstaansgeschiedenis zijn slechts zeer vage bronnen beschikbaar. Zo is er het leven van Amandus (vita Amandi), dat in de 8ste eeuw werd neergeschreven, terwijl hij in het Gentse honderd jaar vroeger actief was. De latere bronnen zijn voornamelijk gebaseerd op de innerlijke strijd tussen de beide abdijen en staan vol van onnauwkeurigheden, vervalsingen van oorkonden, vervalsingen van heiligenlevens en abtenlijsten enz.

Over welke abdij nu het eerste gesticht werd geef ik hierbij de meest gangbare hypothese weer:

Amandus heeft van de Merovingische koning Dagobert I het koninklijk domein Aaigem (dit is het gebied rond het huidige Sint-Pietersstation) en de omgeving van Blandinium gekregen. Het kwam in die periode vaak voor dat koningen aan de kloosterstichters een domein ter beschikking stelden. Amandus heeft deze bezittingen aan de latere Sint-Pietersabdij geschonken.

In ongeveer dezelfde periode heeft Amandus een deel van het domein Slote gekocht dat later de Sint-Baafsabdij werd overgedragen.

Algemeen wordt nu aanvaard dat Amandus het koninklijk domein op en ten zuidwesten van de Blandijnberg gekregen heeft als materiële steun voor zijn missioneringsactiviteit in het Gentse, en dat die gronden hem hoogstwaarschijnlijk een veilige basis gegeven hebben op een zekere afstand van het vijandige (en heidense) Ganda.

En aangezien er in de Vita Amandi sprake is van een kloostertje (cellula) en kleine kapel (cubiculum) kan in die context de Sint-Pietersabdij gezien worden als een logische voorloper van de ‘later te bekeren Gentenaars’.

Uit het leven van de heilige Bavo, een volgeling van Amandus en bekeerd edelman uit Haspengouw, moet er in ongeveer dezelfde periode een kerk en klooster geweest zijn in het castrum Gandavum (Gent). Het is de cultus van Bavo die er in de 9de eeuw reeds voor zorgde dat de naam Ganda geleidelijk werd omgezet in Sint-Baafs.

Wat ook de waarheid mag zijn, feit is dat er in de 7de eeuw twee abdijen werden opgericht op amper een boogscheut van elkaar. Men neemt aan dat eens de kerstening concrete resultaten begon af te werpen, de missiepost aan de Schelde (Blandinium) vlug uitgroeide tot een volwaardige abdij, terwijl in Ganda, het vijandig gebied aan de samenvloeiing van Schelde en Leie, een kerk werd gesticht ter ere van de Heilige Petrus.

Amandus heeft in Sint-Pieters eerst zelf de leiding op zich genomen. Hij werd opgevolgd in het midden van de 7de eeuw door abt Johannes die op zijn beurt opgevolgd werd door Baudemundus. Toen Amandus in 676 stierf bestonden Sint-Pieters als Sint-Baafs als afzonderlijke abdijen.

Over de interne organisatie van de abdij is voor de beginperiode zeer weinig bekend. Een sterk vermoeden bestaat dat zij de mengregel, een combinatie van de leefregels van Columbanus en Benidictinus, toepasten; omdat Amandus dezelfde ‘regula mixta’ voorschreef in 667 in de door hem eveneens gestichte abdij van Barisis-au Bois.

Als achtergrondinformatie voor de gebeurtenissen in de zevende eeuw zijn volgende bemerkingen zeker interessant:

  • Onder de Merovingers verving het koningsrecht in zekere zin het publieke recht (Romeinen) en het staatsbegrip werd meer gepersonaliseerd. De koning kon zich niet langer op publiek recht beroepen en zijn rechten werden door verdelingen, wijzigingen in het bestuursapparaat en voortdurende onderlinge conflicten steeds verder aangetast.
  • Het eigen gezag of het persoonlijk gezag was in het bezit van de heiligen die ofwel wonderen verrichten ofwel leefden – zoals de Iers-Schotse monniken - als asceten. Ook Amandus bezat op die manier een zeker gezag. Vandaar wellicht ook dat hem door Dagobert die gronden gegeven werden.

Wat betreft de eerste bezittingen van de Sint-Pietersabdij kwam het praktisch gezien hierop neer:

De schenking van Dagobert was eerst en vooral het onroerend goed waarop de abdij gesticht werd. Dit goed lag besloten tussen de Schelde en Leie en strekte zich uit van de plaats waar wij onze club hebben tot aan de Leie die net naast de Kortrijksepoortstraat en Nederkouter Gent binnenkomt. De noordergrens was de Kouter.

In het Zuiden lag er een bos, waarvan de naam ‘Eeckhout’ – nog altijd een straat aan de Leopoldskazerne – afkomstig is.

Maar er was ook een tweede schenking: namelijk het domein Aaigem. Dit strekte zich ten westen van de Leie uit en lag aan de Ganzendries (dichtbij het Station).

De Latijnse naam voor domein is villa en bestond meestal uit een groot landbouwbedrijf dat door de abdij werd beheerd en waar ook industriële producten werden vervaardigd zoals kleren, houtproducten enz. Deze werden aan de abdij geleverd of voor hun rekening in de omgeving verkocht.

Aan dit centrum waren verschillende kleinere boerderijen verbonden. Deze boeren waren hiervoor leveringen en diensten verschuldigd op het centrale bedrijf (vb. de grond bewerken van het land van de centrale hoeve of helpen bij het vervaardigen van industriële producten).

De bevoorrading van de abdij was afhankelijk van dergelijke domeinen en we zullen verder zien dat de macht van de abdijen hiermee rechtstreeks verbonden was.

Gedurende deze periode maakte de Blandijnberg deel uit van eigendommen van de Merovingische koningen die zich uitstrekten van Ekkergem tot aan Evergem en Wondelgem. Het gaat hier om bezittingen ten westen van de Schelde met Vroonstalle (Wondelgem) als economisch centrum (centrale hoeve). Dit alles werd later aan de concurrent Sint-Baafs geschonken.

VIIIe EEUW

Naarmate er meer domeinen afhankelijk werden van de abdij mochten kregen deze die veraf gelegen waren een grotere autonomie en mochten zij zelf de gewone producten verkopen. Speciale producten (wol, wijn, vis enz.) werden echter wel aan de abdij met een speciale transportdienst afgeleverd.

IXe EEUW

Het beheer in de abdij van de ontvangsten die voortkwamen uit de domeinen werd in de 9de eeuw als volgt georganiseerd (p103)

Bibliografie

-        Gids van de Sint-Pietersabdij te Gent

-        De Stichting van de Sint-Pieters- en Sint-Baafsabdijen te Gent – L. Voet

-        De Sint-Pïetersabdij de Gent, dertien eeuwen geschiedenis en cultuur – Laleman

-        Ganda & Blandinium. De Gentse abdijen van Sint-Pieters en Sint-Baafs – Georges Declercq

-        Opkomst en bloei van de Christelijke rijken in West-Europa – Agust Nitschke